| Er was eens... | ||
|
|
Er was eens een voetbalstadion, aan de voet van één van de vele terrils die Genk rijk is, anderhalve tribune – de zittribune en de overdekte staantribune – omgeven door een aantal hompen zand met betonblokken, vuil en afgeleefd. Maar met karakter. Tonnen karakter. Een open stadion, waar je bij regen doorweekt en bij koude diepgevroren werd, ware er niet het spontane gezellige samentroepen, vaak al anderhalf uur voor de wedstrijd. Een stadion met ballen, figuurlijk dan. Vooral gevreesd door de tegenstander, maar toch met respect behandeld. Als je als supporter van de tegenstander klaar stond voor een avondje Genkse hel, dan was dat niet iets om naar uit te kijken, je deed toch niet mee. Evenmin als je ploeg. Zelf reden we altijd rond zes uur de Opglabbekerzavel op, langs het kerkhof waar je in de verte de blauwe hel al zag sluimeren, de vier lichtpylonen als stille getuigen van het spektakel dat zou volgen, als bakens in de rook en nevel die altijd rond het stadion hingen, als was het een omen, een teken van de mysterie die zich op de heilige groene grasmat ging afspelen, de regelrechte hel die menig tegenstander aan het opwachten was. Ongeacht wie de tegenstander was. Dan parkeren langs de Opglabbekerzavel, zowel rechts als links een lange sliert auto’s die met de minuut langer werd, en dat al om kwart na zes. Vervolgens met een stevige tred de nog zanderige hoofdparking voor de hoofdtribune oversteken. In de verte de alleenstaande hoofdtribune, inclusief hotdog- en drankstandjes en de categorieke blauwe ballen die jarenlang als merchandisingstands voor het stadion stonden. Dan achter het mythische vak E langs, het vak waar ik toen volgens mijn ouders nog te jong voor was. En ook omdat mijn voetbalgezel de relatieve luxe van de overdekte staantribune – vak S – verkoos, dus heb je als jong gastje niets te zeggen. Doorheen de modder, links van je de hoge berg zand, vakken E en F en het grote ouderwetse scorebord. De kantines die al vol stonden en waar een onophoudelijke stroom supporters met liters bier buiten stroomde, afgelost door een verse lading supporters met een dorstige blik in hun ogen. En toch stond vak E altijd vol. Een mens vraagt zich af waar al die mensen die nog in de gezellige bakstenen kantines nog gepropt werden. Daar was de ingang van de vakken C-S-D waarvan S de klassieke overdekte staantribune was. Het vak van het Kliekske, niet zelden de aanjagers van weer een andere voetbalklassieker die over de overvolle en dampende tribunes rolt. Je moest daar door een hek met een klein dak boven, met vier (?) ingangen naast elkaar waar je tickets gecontroleerd werden. Van draaihekken en gezichtscontrolerende camera’s was er toen nog geen sprake… Integendeel, lange tijd bestond je ticket uit een van een rol afgescheurd etiketje, van het type dat je nu vaak nog tegenkomt bij provinciale ploegen en waarvan er geheid wel eens meer verkocht leken te zijn geweest dan het stadion in theorie aan kon. Het ultieme systeem waar je als 13-, 14- of 15-jarige nog binnen kon glippen als kind -12, waardoor je de wedstrijd gratis kon zien. En dan achter de overdekte staantribune door, via een doorgang van niet breder dan een paar meter. Links van je de bakstenen tribune met op geregelde afstanden de toiletten, rechtstreeks onder de tribune – je kon de betonnen platen waar op gestaan werd zo aanraken – en een metalen bak als pisbak. De gewone WC’s achter een gammel houten deurtje. Rechts van je de ouderwetse betonnen platen die de trainingsvelden afbakenden van het stadion met in het midden de kantine voor de overdekte staantribune. Nog rap even pissen en dan de tribune op. Via een oude versleten en betonrotten trap naar boven. Zelfs om half zeven, meestal het uur waarop wij onze plaatsen innamen – net op tijd voor de vernederende intrede der bezoekende ploegen, vaak de hulpeloze muisjes in een bij wijlen indrukwekkend kat-en-muisspel waarbij de muis altijd verloor – waren de beste plaatsen al weg. Al heb ik nooit begrepen waarom sommige mensen persé achter de dikke betonnen pilaren die het dak ondersteunden wilden gaan staan terwijl drie rijen lager alle plaats van de wereld was. Wanneer we dan eindelijk een gunstig plaatsje hadden, ging één van de onzen de drank halen. Sporadisch ben ik eens meegegaan in de gammele kantine die achter de tribune stond. Overvol, oud en versleten, maar o zo gezellig, o zo authentiek en o zo karakteristiek. Als een klok, wanneer de drank ons bereikte, zette de stadion-DJ de welbekende Assekruus in. Bo-om. Bo-om. Bo-om. Bo-om. Bo-om. En heel het stadion, van vak A in de verte langs de hoofdtribune achter het ene doel, over vakken C, S en D, E en F bewoog mee van links naar rechts op het ritme van de muziek. Enkel die paar buitenstaanders in het vak B stonden stil, maar dat waren geen deelnemers aan het ritueel, dat waren niet meer dan bevoorrechte toeschouwers, getuigen tegen wil en dank. En dan stopte het eigenlijk niet meer. Eens de Assekruus op ritme was het één langgerekte carnavals- en feestavond – toen schaamden we ons er ook niet voor – tot na de match. Duizenden sjaals de lucht in – zelf droeg ik behalve een truitje ook nog één sjaal rond de nek en om elke pols nog een sjaal – rondzwieren op het ritme van de muziek met als hoogtepunt de Hela-hola, onze hela-hola, waarop het hele stadion loos ging. Tussendoor kregen we ook nog de intrede van onze gladiatoren. Gekke Brocki, Reini, Kimoni, ‘Capitano’ Olivieri, Van Geem, Hendrickx, ‘Witte’ Delbroek, Hasi, Gudjonsson en het gouden duo Strupar en Oulare, aangevuld met Super Mike en andere spelers van tweede garnituur – en dit zeg ik met héél veel respect – als Ngoy Nsumbu, Rogerio De Olliveira, Mark Vangronsveld, Gertje Doumen – nog als een held gevierd in de Nissan Cup begot toen er in Genk evenveel volk was als bij alle andere matchen samen – en Salif Keita, die zelfs bij zijn terugkeer ten tijde van zijn uitleenbeurt aan KV Kortrijk gevierd werd als één van de onzen, aangevoerd door papa Antheunis en clubicoon Pierke Denier, keeperstrainer Martens – allemaal in sjofele Olympictraining – en Tony Greco. En wie kent nog Johan ‘The Voice of Genk’ De Graef? Ra-cing Genk! Aaare…you…readyyyy? Ra-cing Genk! Are…you…readyyyy?. De prelude werd afgesloten met Queens ‘We will rock you’ dat alweer door alle aanwezigen werd meegeklapt en Helmut Lotti’s You’ll Win. Klokwerk en pakken beter en vooral authentieker dan de hedendaagse allesinéénmix die voor de match ten berde gevoerd wordt… Dan de match. Niet veel over te zeggen eigenlijk… Meestal hetzelfde product. Of praat ik nu in de hedendaagse Genkse Ivoren Torentermen? De tegenstander die een figurantenrol mocht meespelen in het gladiatorengevecht van de blauwe krijgers, aangevuurd door het blauwe legioen langs de zijlijn. De tegenstander die soms een greintje hoop kreeg, maar al even snel terug met de voetjes op de grond gezet werd. De tegenstander die werd opgejaagd en uiteindelijk opgepeuzeld. En op het einde stond er altijd dezelfde winnaar: Genk. De supporters tegen het veld gezet, met enkel een hek tussen hen en de spelers een meter verder. De lijnrechter die de supporters zelfs kon horen fluisteren. De arme mannen die de overkant van de hoofdtribune mochten doen moeten toch afgezien hebben – naar verluidt werd er door beide ‘liniesmannen’ voor de match een strootje getrokken wie voor de hoofdtribune mocht en wie aan de overkant moest lopen – als ze weer eens een match in Genk moesten vlaggen. En dan na de match. Alweer die duizenden sjalen de lucht in, dit keer op het ritme van Strauss’ Lalalala van de Deurzakkers. De overwinningsmars van de 11 gladiatoren. Vol modder, zweet en soms een spatje bloed van de afdruipende tegenstander die vaak niets anders restte dan hun eigen achterban te gaan begroeten met op hun gezicht een uitstraling van ‘sorry jongens, we hebben ons best gedaan maar er valt niets aan te doen’, de wanhoop nabij terwijl iets verder de blauwe armada haar helden begroet. Genk op zijn best. En dan allemaal terug naar de auto’s. Voldaan, hees en vaak kleddernat van het weer. Volgegooid met confetti en slingers. Alweer uitkijkend naar de volgende match. De sjalen uit de autoruiten wapperend, vaak met balletje op de antenne, want iedereen mocht weten dat we ‘Genkies’ waren, we waren trots op ons Genk, op onze club en onze spelers, op wie we waren en waar we vandaan kwamen. Genk was voor ons. Genk was van ons. Wij waren Genk. KRC Genk was niet zomaar een voetbalclub, maar een heuse religie. Genkfan werd je niet zomaar, het overkwam je gewoon. Eén keer gaan was blijven gaan. Eén keer gebeten door het blauwe virus kon je gewoon niets anders dan elke twee weken terug richting Waterschei trekken. Naar het Thyl Geyselinckstadion. Naar de Genkse arena, het Genkse Colosseum. En dan maandag terug naar school, waar iedereen vanzelfsprekend wist wat je in het weekend gedaan had, wat je identiteit was en waar je vandaan kwam. High-five met de leraar Nederlands omdat Genk nog maar eens gewonnen had. Vaak naar school in training of met een truitje en in de winter met de sjaal die je twee dagen eerder ook aan had. En in de zomer vaak ook. Er was eens… de zomer van 1999. Trots ging ik twee keer per week kijken naar de bouwvorderingen van de nieuwe tempel. Ik ben zelfs nog één keer door het poortje gegaan – dat stond er nog – waarna ik nog op de werd gestaan heb. Er was eens 29 augustus 1999 toen Standard in het Fenixstadion direct met 4-0 huiswaarts gestuurd werd. Toen wist ik niet beter. Nu wel. Kon ik nog maar één keer de klok terugdraaien. Terugdraaien naar de schitterende periode 1996 – 1999, de mooiste periode uit mijn supportersleven. Soms word ik nog eens boos als iemand schamper doet over mijn verhalen van vroeger, over de G-stars, als iemand zegt hoe fantastisch Genk nu toch wel niet is. “Maar ach, ze weten niet beter…” denk ik dan. Soms denk ik dat het beter was die periode te vergeten. Recente fans weten immers niet beter en kunnen nu ook vaak genieten enkel van een goede match. Maar dan realiseer ik me weer da ik die heerlijke vier jaar aan het einde van de vorige eeuw voor geen vijf titels wil inwisselen. Rust zacht, K.R.C. Genk. |

