woensdag 08 september 2010
Banner
Op bezoek bij de buren
vrijdag 28 mei 2010 12:04  |    Koningsblauw Afdrukken

Gezien de verhoogde spanning in de mooiste provincie van het land, komt er weer een derby aan. Twee zelfs, in een halve week tijd. En ook deze keer gaan we er weer aan. De geschiedenis wordt weer maar eens van tafel geveegd. Dit keer zullen zij ons eens in een nachtmerrie stoppen. Door één overwinning worden alle vorige vernederingen vakkundig uit het geheugen gewist. Alsof ze nooit gebeurd zijn.

Door het open communicatiebeleid dat het Genkse bestuur handhaaft, vallen er in en rond de Cristal Arena niet veel nieuwtjes te rapen. Iedereen is toch al op de hoogte. Ik besloot dan maar om mijn stoute botten aan te trekken, en de gemoedstoestand bij de buren eens te gaan bekijken. Na mijn bezoek ben ik er nog meer van overtuigd: we moeten in de toekomst rekening houden met deze club.

De bus naar Sint-Truiden zette mij af aan een verlaten weg te midden van weiden en velden. De zon brandde vurig op mijn hoofd. Ik keek rondom mij, maar nergens was een levende ziel te bespeuren. In de verte zag ik echter een oude Ford Pinto uit 1984 met bel op het dak naderen. Met mijn duim in de lucht ging ik aan de kant van de weg staan, in de hoop dat deze goede ziel mij een lift naar Stayen zou aanbieden. Gelukkig voor mij stopte de auto, en de chauffeur deed alle moeite om zijn raampje naar beneden te doen.

“Wa hed djie oan awen duim menne man?” vroeg de man verbaasd aan mij.
“Nee maar!” riep ik uit. “Jef Cleeren! Dat treft, zou u mij een lift kunnen geven?”

“Goh man wa vroag djie mich naaw,” reageerde Jef verbouwereerd, “een lift da hemmich nie, ma ich kaan oech waal meipakken tot doa.”

Zo gezegd, zo gedaan. Ik gooide mijn rugzak in de koffer, en nestelde mij naast Jef in de auto. Ik vertelde hem dat ik journalist was en de vraag of ik hem even kort mocht interviewen bleek overbodig.

“Mijnheer Cleeren, donderdag nemen KRC Genk en STVV het tegen mekaar op in een nieuwe Limburgse derby. Wat denkt u over de kansen van STVV?”
Jef: “Joa menne man, das d’ienige echte match van ’t joar zur. Dees joar goan ver ze kloppen menne man, schrijf da moar op. Zet djielings eine van Studio Ein menne man?”
“Neen, maar ik wilde enkel weten of u gelooft in de kansen van STVV tegen een uitgekookt Genk?”
“Uitgekoowkt? Wa zegt djie mich naaw? Ver goan ze kloppen dees joar.”
“Zal het resultaat van donderdag een invloed hebben op de manier van aanpak zondag?”
“Zondag goan ver ze ooch kloppen menne man.”

Veel kwam ik niet te weten van Jef. Ondertussen waren we aangekomen aan het stadion Stayen. Verdorie, ik was mijn perskaart vergeten. Met een alcoholstift die ik in het handschoenkastje vond, schreef ik vlug “Perskaart” op mijn busticket. Daarmee verkreeg ik zonder problemen toegang tot het stadion. Warempel. Op het secretariaat nam Jef afscheid van Jeanne, de secretaresse en tevens Miss STVV 1937, en hij bracht me naar een klein kamertje. Daar stonden twee wankele stoelen en een houten tafel die niet meer zo fris leek. Ik wou hier mijn jas omhoog hangen, om daarna naar het kantoor van de voorzitter te gaan. “Zet auw ma, de vuirzitter komt direc menne man,” liet Jef me verbaasd achter.

“Oei, volk,” riep iemand plots. Het was de voorzitter. Roland Duchâlet. Duchâtelet, excuseer. Ik stond even perplex toen de man zijn hand naar mij uitreikte. Ik schudde hem weifelend de hand, en vroeg met een trillende stem of ik hem even kon interviewen. Dat mocht. Mijnheer Duchâtelet blies de stof van de houten stoel af, en nam plaats.

“Meneer Duchâtelet, hoe zijn de play-offs tot nu toe verlopen voor jullie?”
Duchâtelet: “Voor ons zijn de play-offs uitermate positief. We hebben extra inkomsten kunnen genereren en komen daarmee in het spoor van Genk. Daar zijn de play-offs totaal mislukt. Binnenkort zijn we mekaars evenknie, let maar op!”
“Jullie moeten eerst nog onder mekaar uitmaken wie naar de Europa League mag.”
Duchâtelet: “Kijk gewoon naar hun voorzitter. Wat heeft die man ooit al bewezen? Ik heb tenminste een enorme staat van dienst. Degradatie en meteen daarna kampioen spelen. Dat zie ik in Genk nog niet gebeuren.”
“Wat gebeurt er als jullie op de valreep naast Europees voetbal grijpen?”
Duchâtelet: “In Genk proberen ze zich al jàren een weg naar de top te banen. Wat hebben ze recent nog gewonnen? Ja, een beker. Maar wij zijn vorig seizoen kampioen geworden, mijnheer. Kampioen!”
“Een boerenseizoen zoals dit moet toch ongelofelijk deugd doen voor de supporters van STVV. Het moet al geleden zijn van Raymond Goethals dat STVV nog eens zo hoog eindigde?”
Duchâtelet: “En dan dat stadion. Ik hoor dat ze het willen uitbreiden naar 40.000 plaatsen. Binnenkort hebben ze genoeg aan een stadion van 400 plaatsen! STVV staat nu immers aan de top, en al hun supporters zullen vanaf volgend seizoen op Stayen te zien zijn. Neen, mijnheer, het is gedaan met KRC Genk.”
“Is de derde voorronde van de Europa League geen vergiftigd geschenk?”
Duchâtelet: “In de Cristal Arena hebben ze niet eens een hotel. Als je tegenwoordig aan de top wil meedraaien, kan je er niet onderuit. Je moet een hotel hebben. Blijkbaar heeft men dat overal door, behalve in Genk.”
“Bedankt voor dit gesprek en veel succes.”

Nadat ik het kantoor van de voorzitter had verlaten, raakte ik verloren in de smalle wandelgangen van Stayen. Ik bleek niet alleen te zijn. Ook Dusan Belic zat daar blijkbaar nog altijd vast. Ik zag in de verte gelukkig een aftands bordje met daarop “eksit”. Ik snelde in de richting van het bordje en duwde de houten deur open. Hij bleek goed vast te zitten, want ik moest aardig hard duwen. Wat ik toen zag, heeft me blij gemaakt. Ik kwam uit op het trainingsveld van STVV! Al die sterren stonden nu op goed twintig meter van mij af.

Ik was zodanig onder de indruk, dat ik niet zag dat Guy Mangelschots met paard en koets kwam afgereden. “Aanne kant menne man!” riep hij woest naar me toe. Iets verderop hield hij halt, stapte af, trok zijn broek eens goed omhoog en ontlaadde de koets. Hij bracht de kegeltjes. Het was namelijk tijd voor een oefenpartijtje. Ik zette me aan de kant van het veld, en zag hoe de spelers aan de wedstrijd begonnen. Guido Brepoels kwam bij me staan, en dat gaf me de gelegenheid om hem meteen aan de tand te voelen.

“Guido, heb je je tactisch plannetje voor donderdag al klaar?”
Brepoels: “Kijk, ik ben een voetballiefhebber. Ik wil dingen uitproberen. Hoe ik Genk zal aanpakken, daar heb ik nog geen idee van. Ik heb al geprobeerd om met een ruit op het middenveld te spelen, maar Delorge trapt die telkens kapot.”
“Na zo’n seizoen zou het toch frustrerend zijn als jullie naast Europees voetbal zouden grijpen?”
Brepoels: “Kijk, ik ben een voetballiefhebber. Ik heb vorige week naar Barcelona tegen Inter gezien. Ik vond niet dat STVV voor één van beide elftallen moet onderdoen. Wij horen daar thuis.”
“Bent u niet wat optimistisch? Barcelona en Inter zijn toch nog van een ander kaliber dan STVV, met alle respect.”
Brepoels: “Kijk, ik ben een voetballiefhebber. Spelers als Delorge, Wagemaekers en Wilmet …”
“’t Is Wilmei, djie moe da op ze Fraans uitspreiken,” onderbrak de toevallig passerende Jef Cleeren.
“… die horen gewoon bij een topclub thuis. Dat zijn jongens die voor elke bal vechten. Jongens waarmee je naar de oorlog kunt. Hadden ze zo’n jongens naar Joegoslavië gestuurd, het was allemaal niet zo ver gekomen. Dan werden we nu niet overspoeld door derderangsjoego’s die de Belgische jongeren alle kansen ontnemen.”

"Wie acht u de gevaarlijkste man bij Ge..."
"Trainer, trainer!" onderbrak Delorge het gesprek, "het staat 0-1 voor de kegels, maar volgens Cantaluppi was het buitenspel. Kunnen we de TV-beelden ergens opvragen?" 

Ik besloot om de mannen rustig verder te laten werken. Samen met Jef liep ik het stadion uit. Ik zag nog net hoe mijn bus vertrok. Ik liep er nog achter, maar ik was helaas te laat. “Wanneer komt de volgende bus?” vroeg ik aan Jef. “Joa menne man, naaw hedjie wat oan auwe fits, dieje komt murrege pas! Zet djie nie geïntresseird om in da shiek hotel hiej te sloapen?”

En zo kwam het dat ik voor het slapengaan nog even een blik wierp op twee gemaskerde mannen die in het midden van het veld een put aan het graven waren.